1
In de stilte van de heilige tent, waar het goddelijke en het aardse elkaar ontmoeten, weergalmde de stem van de Eeuwige. Hij riep Mozes bij naam, zijn stem weefde zich door de lucht, helder en doordringend.
2
"Spreek met de kinderen van Israël," zo luidde de goddelijke opdracht, "en laat hen weten: wie een offer wil brengen ter ere van Mij, laat hij kiezen uit het vee, uit de schapen of de runderen, het beste van wat hij bezit.
3
Wanneer iemand een rund kiest voor zijn brandoffer, laat het dan een onberispelijk mannelijk dier zijn. Het moet geofferd worden aan de deur van de tent van samenkomst, waar het gezien wordt door Mij, de HEERE, en waar het in Mijn welgevallen wordt geaccepteerd.
4
De offeraar zal zijn hand op het hoofd van het dier leggen, een gebaar van overdracht en verbinding, zodat zijn offer aangenaam voor Mij wordt, een middel tot verzoening.
5
Vervolgens zal hij het jonge rund slachten, terwijl Mijn ogen hem gadeslaan. De zonen van Aaron, mijn priesters, zullen het bloed verzamelen en het rondom het altaar sprenkelen, dat zich voor de deur van de tent van samenkomst bevindt.
7
De zonen van Aaron, mijn priesters, zullen het vuur op het altaar aanwakkeren, het hout zorgvuldig rangschikken om de vlammen te voeden.
8
Zij zullen ook de stukken vlees, het hoofd en het vet op het brandende hout leggen, dat op het altaar ligt.
9
Maar de ingewanden en de poten moeten met water worden gewassen. De priester zal dit alles op het altaar verbranden; het is een brandoffer, een vuuroffer, een zoete geur die Mij behaagt.
10
Als een man besluit om kleinvee, schapen of geiten, te offeren, moet hij ook hier een volmaakt mannelijk dier kiezen.
11
Hij zal het dier slachten aan de noordkant van het altaar, in Mijn aanwezigheid. De zonen van Aaron, mijn priesters, zullen het bloed rondom op het altaar sprenkelen.
12
Vervolgens zal hij het dier in stukken delen, inclusief het hoofd en het vet; de priester zal deze stukken rangschikken op het hout dat op het vuur ligt, op het altaar.
13
Nogmaals, de ingewanden en de poten moeten met water worden gewassen. De priester zal dit alles op het altaar verbranden; het is een brandoffer, een vuuroffer, een zoete geur die Mij behaagt.
14
Mocht iemand besluiten om gevogelte aan Mij te offeren, dan kan hij kiezen uit tortelduiven of jonge duiven.
15
De priester zal het dier naar het altaar brengen, zijn hoofd splijten met zijn nagel en het verbranden op het altaar. Het bloed zal langs de wanden van het altaar worden uitgewreven.
16
Hij zal de krop en de veren verwijderen en deze bij het altaar werpen, richting het oosten, naar de plek van de as.