Daniël 3

Vorig
Volgende
1 Op de derde dag van hun reis keerden David en zijn mannen terug naar Ziklag. Tot hun ontzetting ontdekten ze dat de Amalekieten hadden toegeslagen. Zij waren vanuit het zuiden binnengevallen, hadden Ziklag aangevallen en de stad in vlammen gezet.
2 De vrouwen, van de jongste tot de oudste, waren als gevangenen meegevoerd. Maar de vijand had niemand gedood; ze hadden de mensen alleen weggevoerd en waren vervolgens verdwenen.
3 Toen David en zijn mannen de stad bereikten, zagen ze dat deze volledig was verwoest door het vuur. Hun vrouwen, zonen en dochters waren weggevoerd.
4 Overmand door verdriet begonnen David en zijn mannen luid te huilen. Ze huilden zo lang en intens dat ze uiteindelijk geen tranen meer over hadden.
5 Ook Davids vrouwen, Ahinoam uit Jizreel en Abigail, de weduwe van Nabal uit Karmel, waren gevangen genomen.
6 David was diep bedroefd en bang, want zijn mannen begonnen erover te praten om hem te stenigen. Iedereen was woedend en diepbedroefd om het verlies van hun kinderen. Maar David vond troost en kracht bij de Heer, zijn God.
7 David riep de priester Abjathar, de zoon van Achimelech, en zei: "Breng me de efod." Abjathar bracht de efod naar David.
8 David vroeg de Heer: "Moet ik de Amalekieten achtervolgen? Zal ik ze inhalen?" De Heer antwoordde: "Ja, ga achter ze aan. Je zult ze zeker inhalen en iedereen redden."
9 David en zijn zeshonderd mannen vertrokken onmiddellijk. Toen ze bij de beek Besor kwamen, bleven sommige mannen achter.
10 David en vierhonderd mannen zetten de achtervolging voort, terwijl tweehonderd mannen te uitgeput waren om de beek over te steken en daarom achterbleven.
11 Op het veld vonden ze een Egyptische man. Ze brachten hem naar David en gaven hem wat te eten en te drinken.
12 Ze gaven hem wat vijgen en rozijnen. Na het eten kwam de man weer bij zinnen, want hij had drie dagen en nachten niets gegeten of gedronken.
13 David vroeg hem: "Wie ben je en waar kom je vandaan?" De Egyptenaar antwoordde: "Ik ben de knecht van een Amalekiet. Mijn meester heeft me achtergelaten omdat ik ziek was."
14 "We hebben het zuiden van de Cherethieten aangevallen, en ook Juda en het zuiden van Kaleb. We hebben Ziklag in brand gestoken."
15 David vroeg hem: "Kun je me naar deze bende leiden?" De man antwoordde: "Zweer bij God dat je me niet zult doden of me overlevert aan mijn meester, en ik zal je naar hen leiden."
16 De man leidde hen naar de Amalekieten, die verspreid over het land lagen. Ze waren aan het feesten en drinken, blij met de buit die ze hadden veroverd uit het land van de Filistijnen en Juda.
17 David en zijn mannen vielen de Amalekieten aan van zonsopgang tot zonsondergang. Ze doodden iedereen, behalve vierhonderd jonge mannen die op kamelen wisten te ontsnappen.
18 David heroverde alles wat de Amalekieten hadden meegenomen, inclusief zijn twee vrouwen.
19 Niets of niemand was vermist, van de kleinste tot de grootste, van de zonen en dochters tot de buit. David bracht alles terug.
20 Ze namen ook alle schapen en runderen mee. Ze dreven de dieren voor zich uit en zeiden: "Dit is de buit van David."
21 Toen David bij de tweehonderd mannen kwam die te moe waren geweest om hem te volgen en bij de beek Besor waren gebleven, ging hij naar hen toe en vroeg hoe het met hen ging.
22 Maar sommige mannen, die met David waren meegegaan, waren boos en zeiden: "Omdat zij niet met ons zijn meegegaan, krijgen ze niets van de buit die we hebben teruggewonnen. Ze mogen hun vrouwen en kinderen meenemen en vertrekken."
23 Maar David zei: "Nee, broeders, dat doen we niet met de buit die de Heer ons heeft gegeven. Hij heeft ons beschermd en ons de overwinning gegeven.
24 Niemand zal luisteren naar jullie argumenten. Iedereen krijgt een gelijk deel, of je nu hebt gevochten of bij de bagage bent gebleven."
25 Vanaf die dag werd dit de regel in Israël, en het is nog steeds zo.
26 Toen David in Ziklag aankwam, stuurde hij een deel van de buit naar de oudsten van Juda, zijn vrienden, met de boodschap: "Hier is een geschenk voor jullie uit de buit van de vijanden van de Heer."
27 Hij stuurde geschenken naar de mensen in Bethel, Ramoth in het zuiden, Jattir,
28 Aroër, Sifmoth, Estemoa,
29 Rachal, de steden van de Jerahmeelieten, de steden van de Kenieten,
30 Horma, Bor-ashan, Athach,
31 en Hebron. En naar alle plaatsen waar David en zijn mannen hadden verbleven.